Ga naar inhoud

Schermen

Schermen is een vechtsport met klingen: twee schermers scoren door elkaar met een wapen te raken op een lange, smalle baan, de loper (piste). Er zijn drie wapens — floret, degen en sabel — elk met een eigen trefvlak en eigen regels. Schermen is een olympische sport, en treffers worden meestal met elektrische meldapparatuur geregistreerd.

  • Snelheid, reactievermogen en nauwkeurige controle over je hand.
  • Beenkracht en voetenwerk — een groot deel van het schermen is voor- en achteruit bewegen op de loper.
  • Tactiek: je tegenstander lezen en het moment kiezen om aan te vallen.
  • Concentratie en zelfbeheersing onder druk.
  • Wedstrijden voor elke leeftijd, van kinderen tot veteranen.
  • Floret: een licht, buigzaam wapen. Treffers tellen alleen met de punt en alleen op de romp. Raken beide schermers, dan beslissen de voorrangsregels wie scoort.
  • Degen: zwaarder en stijver. Treffers tellen met de punt, overal op het lichaam, en wie het eerst raakt, scoort; raken beiden op hetzelfde moment, dan scoren ze allebei.
  • Sabel: treffers tellen met de snede of de punt, overal boven de gordel, ook op de armen en het hoofd. De voorrangsregels gelden, net als bij floret.
  • Beschermende uitrusting: een masker met een gaasfront en een bef, een schermjas, een okselbeschermer (plastron), een handschoen aan de wapenhand, een kniebroek met lange kousen, en een borstbeschermer voor vrouwen. Bij elektrisch schermen komen daar een lichaamskabel bij en, voor floret en sabel, een geleidend vest (lamé) over het trefvlak.
  • Om te beginnen: een lange sportbroek en platte zaalschoenen. Clubs lenen beginners meestal het masker, de jas, de handschoen en het wapen.
  • Meestal 60–90 minuten, soms langer.
  • Een warming-up en voetenwerk: de en garde-houding, voorwaartse en achterwaartse passen en de uitval. Voetenwerk is een groot deel van elke training, vooral in het begin.
  • Klingwerk: aanvallen, parades en ripostes (de tegenaanval na een parade), in tweetallen of in een korte individuele les bij de trainer.
  • Vrije partijen, meestal tot 5 of 15 treffers, met een scheidsrechter of een elektrisch meldapparaat.
  • Clubs laten beginners meestal met één wapen starten — vaak floret, soms sabel of degen — en de meeste schermers specialiseren zich later in één wapen.
  • Een eerste les gaat over de houding, het voetenwerk en de veiligheidsregels; je schermt in volledige uitrusting zodra de trainer zegt dat je eraan toe bent.
  • Kinderen en volwassenen: veel mensen beginnen jong, maar ook volwassenen kunnen vanaf nul beginnen.
  • Mensen die van tactiek en snelheid houden, want timing weegt net zo zwaar als kracht.
  • Iedereen die een vechtsport wil zonder stoten, trappen of worpen.
  • Wie wedstrijden wil doen — er zijn toernooien voor elke leeftijdsgroep.
  • Minder geschikt voor wie problemen heeft met knieën, heupen of rug: de uitval belast het voorste been, en de ene kant van het lichaam werkt harder dan de andere. Vraag het een arts, en vertel de trainer over elke blessure.